Katori Shinto Ryu geschiedenis


In het vierde regeringsjaar van Keizer Mikiyama (1387) werd in het dorp Iizasa de grondlegger van de Katori Shinto Ryu geboren, Iizasa Iga no Kami Ienaoko. Hij behoorde tot de familie Iizasa Ke, eenvoudige landadel (goshi), die echter wel generaties lang een leidende rol vervulde in de Kanto- provincie, nu de Chiba prefectuur.  Hij was als kind reeds gefascineerd en bezeten van de gevechtskunsten. Volgens de overlevering was hij op jeugdige leeftijd reeds meester op het zwaard en de speer (yari). Als samoerai van de daimyo van Chiba nam hij deel aan verschillende veldslagen waarin hij vooral in man-tot- mangevechten opviel door zijn grote bedrevenheid met wapens en door zijn uitzonderlijke moed, die hem al op jeugdige leeftijd een geduchte reputatie bezorgde. De Chiba familie kwam ten val als gevolg van een confrontatie met de toenmalige shogun waardoor ook de versterkte hofstede van de Iizasa-familie met de grond werd gelijkgemaakt, gelijk met een aantal dorpen die op het domein van de familie lagen. Bedroefd en zonder meester vertrok Ienaoko naar de Katorischrijn en hoopte daar door gebed, meditatie en gelijktijdig door harde training tot verlichting (satori) te komen. Hij was toen 64 jaar.

Bij de poort van de Katorischrijn, vlak bij de plek waar hij nu ligt begraven, betrok hij een eenvoudige woning. Iedere ochtend, voor dag en dauw, zomer en winter, stond hij op en oefende met zwaard, naginata en yari tot laat in de avond. Voor hij naar zijn woning terugkeerde nam hij bij wijze van reinigingsceremonie een ijskoud bad en deed daarna een uur lang zijn gebeden in de Katori-schrijn. Ondanks lichamelijke uitputting verdiepte hij zich bij thuiskomst nog tot diep in de nacht in religieuze en filosofische geschriften. Duizend dagen lang hield hij dit leven vol.

Toen, op een nacht, verscheen hem in een droom de godheid aan wie de Katori-schrijn was gewijd (Futsunushi no Mikoto) in de gedaante van een jonge man, gezeten op een tak van een oude boom vlak bij de plaats waar Ienaoko dagelijks zijn oefeningen deed. Het visioen wenkte Ienaoko naderbij en overhandigde hem een rol, de Mokuroku Heiho Shinsho, met de woorden: "Choisai.......... jij zult de leermeester worden van alle grote zwaardvechters onder de zon". Na die woorden sprong de jonge man uit de boom en verdween. Toen Ienaoko wakker werd hield hij de rol tegen de borst geklemd. De Mokuroku bevatte de door goddelijke handen beschreven martiale technieken en strategie.

Na deze openbaring veranderde Ienaoko zijn naam in "Choisai" en stichtte hij zijn schermschool die hij Katori noemde naar de Katori-schrijn. Hij voegde daaraan toe Tenshin Shoden (door de goden geschonken) waarmee hij eer wilde bewijzen aan Futsunushi no Mikoto en Shinto (het onbevlekte (zuivere) zwaard) In het bezit van de huidige hoofdmeester van de Katori Ryu bevindt zich nog een enorme hoeveelheid manuscripten, grotendeels afkomstig van Choisai, die aangeven hoe uitputtend hij de hem in handen gegeven technieken heeft bestudeerd en uitgewerkt. Toen 'de goden hem lieten gaan' (toen hij overleed) in het 2de jaar Sho-Kyo (1488) op de 15de dag van de 5de maand had Choisai de hoge leeftijd bereikt van 102 jaar. De oudste zoon van Choisai, Wakasa no Kami Morichika zette de school voort en dat gebeurde generatie op generatie (zie bijlage 'geneologie') Nadat Choisai zijn school had gevestigd is het ook traditie geworden dat hun diensten alleen ter beschikking stonden van de keizer of in situaties waarin het vaderland werd bedreigd. De school stond open voor iedereen die met ernst en toewijding de krijgskunsten wilde beoefenen. Op de naamlijsten van de Katori Shinto Ryu-archieven komen de namen voor van beroemde zwaardvechters uit de Japanse geschiedenis, zoals Nobutsana, de stichter van de Kage-school, de befaamde Tsukahara Bokuden, de grondlegger van de Kashima Shinto Ryu, de beroemde generaals Oda Nobunaga, Toyotomi Hideyoshi, Takenaka Hanbei Shigeharu en nog vele anderen. Zelfs de legendarische Miyamoto Musashi heeft de Katori-schrijn bezocht op zoek naar satori (verlichting).

Tot op de huidige dag wordt elk jaar op de veertiende april een herdenkingsdienst gehouden in de Katori-schrijn met een gohei (een Shinto-ceremonie waarbij de goden worden aangeroepen met de heilige staf, waaraan ingewikkeld gevouwen reepjes papier hangen). Om de twaalf jaar, als dat jaar in het teken van het paard staat, wordt gedurende twee dagen een groot feest gehouden, het Jinko-Sai. In het 35ste jaar van Showa (1960) werd de Tenshin Shoden Katori Shinto Ryu benoemd tot 'onaangetaste nationale culturele schat van Japan' (onaangetast in de zin van 'authentiek'). De éérste en enige onder de martiale disciplines.

Elke leerling die zijn intrede doet in de school moet een eed aflegggen (keppan) die hij met zijn bloed bezegelt. Die eed luidt als volgt:
 

  1. Ik beloof als volgeling van de Tenshin Shoden Katori Shinto Ryu, die een geschenk is van de heilige godheid van de Katorischrijn, onvoorwaardelijk de geheimen te bewaren van deze Ryu
  2. Nimmer zal ik krijgstechnieken demonstreren of daarover in discussie gaan zonder toestemming van de hoofdmeester.
  3. Ik zal nimmer daden verrichten of plaatsen bezoeken die in strijd zijn met de hoge moraal van de ryu.
  4. Ik zal nimmer het zwaard opnemen tegen volgelingen van een andere school zonder dat ik een certificaat heb ontvangen vollerd te zijn in de martiale strategie van de Katori Shinto Ryu.

Ik zal mij nauwgezet aan deze voorwaarden houden . Wanneer ik ooit één daarvan zou overtreden zal ik mij onderwerpen aan de straf die mij zal worden opgelegd door de heilige Boedhistische godheid "Marishiten"

# In de oorspronkelijke Brahmaanse betekenis is dat de figuur van Krishna; in de latere Chinees-Boedhistische betekenis, de hemelse koningin die in een van de sterren van de Grote Beer woont. Zij wordt meestal afgebeeld met acht armen, waarvan twee de symbolen dragen van de zon en de maan.

Het is aan leerlingen van de Katori Shinto Ryu niet toegestaan willekeurig een gevecht aan te gaan zelfs niet in een vriendschappelijke wedstrijd. Het trekken van een zwaard wordt beschouwd als een ernstige zaak die beslissend is over leven en dood. Het zwaard mag dus nooit lichtvaardig worden getrokken. Zelfs wanneer het zwaard slechts 1 cm uit de schede werd getrokken werd dat beschouwd als een uitnodiging tot een duel. Een vriendschappelijke wedstrijd wordt in het Japans shiai genoemd en is in de Katori Shinto filosofie synoniem met shi-ni-ai hetgeen zoveel wil zeggen dat de enige afloop van strijd de dood is. Als gevolg hiervan kent de Katori Shinto school dan ook geen rangenstelsel in dan-graden, omdat die worden verkregen in tweegevechten zoals gebruikelijk is bij kendo en judo. Die tweegevechten zijn mogelijk omdat het "sporten" betreft waar aan de gevechtstechnieken zodanige beperkingen zijn opgelegd dat lichamelijk letsel kan worden voorkomen.

Bij Katori Shinto Ryu kan een leerling na ongeveer 15 jaar intensieve training een certificaat van waardering (mokuroku) ontvangen en nog veel later als een bepaalde graad van perfectie is bereikt kan hij de menkyo ontvangen. De hoogst te behalen graad is gokui kaiden. Deze is slechts voor een enkeling weggelegd.


 

De werkelijke krijgskunst is de kunst om de vijand
in een gevecht te verslaan en niets anders.
(Miyamoto Musashi 1584-1645)

 

Jaap Hoogendam (l) en Eric Louw

 

"KATORI SHINTO KRIJGSTECHNIEKEN"

De Katori Shinto Ryu behoort tot de krijgskunsten die aangeduid worden als Kobujutsu (oude krijgskunsten (oud is voor 1500). In de periode van het ontstaan van de Katori Shinto Ryu werd op de slagvelden nog helm en harnas gedragen katchu of ook wel kabuto yoroi genoemd. In tegenstelling tot de middeleeuwse harnassen van de Europese ridders waren de Japanse zo gemaakt dat zij de drager een grote mate van mobiliteit verschaften. Om die beweeglijkheid mogelijk te maken was het onvermijdelijk om enkele delen van het lichaam onbedekt laten. De Omote waza (de basistechnieken) zijn dan ook gericht op de zwakke plekken in de wapenrusting. Die kwetsbare delen zijn de zijkant van de nek waar een kleine snede van het zwaard (surikome) langs de onderkant van de kaak de grote ader doorsnijdt, wat voldoende is om de vijand buiten gevecht te stellen. Voorts de oksel die, wanneer de arm wordt opgeheven, onbeschermd is. De armen zijn dan ook een doelwit omdat die aan de onderzijde niet zijn beschermd. Aan de bovenkant zijn de mouwen bedekt met maliën en strippen metaal (kote). Andere kwetsbare plekken zijn het midden van het lichaam op de scheiding tussen de do (het kuras) en de kasazure (de met metaal versterkte wapenrok), de liezen en de binnenkant van de dijen die alleen zijn beschermd door twee met metaal versterkte flappen, de haidate. Dan nog de enkels, de kuiten omdat het scheenbeen is beschermd met suneate en de knieën. Het totale gewicht van zo'n wapenrusting is op z'n minst 10 kg. maar een goed harnas voor gebruik op het slagveld weegt tenminste 20 kg. Daarbij komt dan nog het gewicht van de kleding en wat men aan wapens met zich meedraagt. Door dat gewicht is dan ook de voetenstand belangrijk. Die moet stabiel zijn met beide voeten op de grond. De stand met één hiel omhoog zoals bij het moderne kendo maakt weliswaar een snellere aanval mogelijk maar zou door het gewicht van de wapenrusting een te grote belasting zijn voor de benen in gevechten die vaak uren duurden. Zelfs in het moderne kendo is de 'zweepslag' en letsel aan de achillespees een veel voorkomende blessure. Een dergelijk letsel op het slagveld zou fataal zijn. Toch blijft snelheid belangrijk in een gevecht en de technieken van de Katori Shinto Ryu zijn zó efficient dat bij het dragen van een wapenrusting grote beweeglijkheid mogelijk blijft.



Bovenstaande tekst is afkomstig van Sensei Beekink en overgenomen van de site van Katori Shinto Ryu Holland. Met dank aan Sensei Louw voor de toestemming.
 


katori shinto ryu

curriculum

examenprogramma

index